Terug van weggeweest. Januari stond voor mij in het teken van Haïti. Onderstaand weer eens een Braziliaans stukje uit de krant van vandaag.
----------------------------------------------------------------------------------
De zondvloed duurt nu al 47 dagen. São Paulo staat bekend om zijn knallende onweersbuien, maar deze zomer is het noodweer wel erg extreem.
Het is elke dag hetzelfde luidruchtige liedje. De hitte die zich in de loop van de dag ophoopt, komt tegen het einde van de middag tot explosie. En wee degene die dan nog geen beschutting heeft gezocht.
De donder en bliksem zijn van een kracht die we in Nederland niet kennen. Er ontstaan door de wolkbreuk direct kolkende riviertjes op de weg. Laatst overkwam het me dat ik al fietsend draaikolken moest ontwijken op straat. Ook twee uur gevangen zitten op een bushalte die in een eiland verandert, blijkt erbij te horen in het ‘Venetië zonder gondels’. Sommige bedrijven laten hun personeel daarom eerder naar huis gaan.
Er zijn in de provincie São Paulo al 73 doden gevallen en 30.000 mensen dakloos geworden. Vooral in de sloppenwijken is de schade enorm. Buurten als Jardim Pantanal (Moerastuin) zijn al anderhalve maand één groot modderbad. Vissen, ratten en slangen tieren welig in de huiskamers. Douchen? Niet zonder loopplank en een stoel. Bewoners klimmen ’s ochtends over de daken de wijk uit om met droge voeten op het werk te komen.
Braziliaanse weermannen geven de schuld aan El Niño, een natuurlijk fenomeen dat in heel Zuid-Amerika voor hogere temperaturen zorgt. Maar de stad van twintig miljoen inwoners heeft toch vooral last van de eigen onstuimige groei. De belangrijkste afvoerkanalen van São Paulo, de rivieren Tietê en Pinheiros, zijn ingesnoerd door snelwegen. Door al het beton en asfalt is bijna de helft van de stadsbodem ondoordringbaar voor water. Wat ook niet helpt, is dat putten verstopt raken door het afval dat op straat wordt geloosd.
Er wordt wel wat gedaan aan de overlast. Rond de stad worden grote bassins aangelegd om de neerslag op te vangen. Ook wordt meer groen geplant om de overkokende betonzee af te koelen.
Of de volgende zomer daarmee minder stressvol wordt? Het lijkt water naar de zee dragen.
maandag, februari 08, 2010
maandag, december 07, 2009
Reportage Cidade de Deus
Uit het blad van Amnesty International van deze maand.
-------------------------------------------------------------------------------------
Het is half elf ’s ochtends in Cidade de Deus, een sloppenstad achter het toekomstige Olympisch dorp van Rio de Janeiro (2016). Een groepje wijkagenten is met het goede been uit bed gestapt. Opgewekt begroeten ze een bewoner die zijn auto staat te wassen. Ze worden genegeerd. Ook de buurman kijkt niet op of om. Bij een oude dame in een tuinstoel kan er net een knikje en een afgemeten ‘bom dia’ (goedendag) vanaf.
‘Ik begrijp de afstandelijkheid van de bewoners heel goed’, zegt kapitein Felipe Romeu, de politiechef van Cidade de Deus, een ‘favela’ (sloppenwijk) van honderdduizend inwoners. ‘De autoriteiten hebben zich veertig jaar niet laten zien. Dus waarom zou men geloven dat we ditmaal wel blijven? De drugsbende die de wijk in zijn greep had, heeft nog minderjarige verkenners rondlopen. Ze bedreigen mensen die openlijk met ons sympathiseren.’
Cidade de Deus (Stad van God) werd door de gelijknamige en gewelddadige film een icoon van de vergeten oorlog in de sloppen van Rio. Veldslagen tussen drugsbendes en politie bepalen er het dagelijks leven. Maar sinds februari van dit jaar staat de wijk op zijn kop. De politie heeft de soldaten van het Rode Commando (Rio’s grootste drugsfactie) verjaagd en een ambitieuze nieuwe aanpak op de wijk losgelaten: de ‘vredespolitie’. Wijkagenten patrouilleren dag en nacht. Voorheen beperkte de politie zich tot riskante invallen waarbij vaak geschoten werd. Nu voelt het veilig: deze verslaggever kon rustig alleen met zijn camera de wijk verkennen.
De vredesagenten zijn jonge, net afgestudeerde kerels, speciaal opgeleid om, naast repressief (ze zijn ‘gewoon’ zwaarbewapend), bewonersvriendelijk te werk te gaan. Dat wil zeggen: preventief en communicatief optreden, zonder geweld- en machtmisbruik, de mensenrechten indachtig. Voor de militaire politie van Rio is dat een revolutionair concept. Geen stadspolitiemacht ter wereld pleegt zoveel moorden (zo’n honderd per maand), veelal tijdens mistige ‘confrontaties’ in de favela’s. Geen stadspolitiemacht wordt ook zo vaak zelf getroffen (er sneuvelen zo’n tien agenten per maand).

Agent maakt al vliegerend vriendjes
Met het binnenhalen van de spelen van 2016 werd het doorbreken van de geweldsspiraal een zaak van landsbelang. De vergeten oorlog is immers terug in de wereldpers. De veiligheidschef van de provincie Rio, José Mariano Beltrame, heeft het maar wat druk met buitenlandse journalisten. Ook voor Wordt Vervolgd maakte hij tijd, vlak voordat bij gevechten in een sloppenwijk bij het Maracanã-stadion ruim veertig doden vallen.
‘Vooropgesteld: we kunnen vijftig jaar verwaarlozing niet inhalen in zeven jaar. De stad heeft al duizend favela’s. En het bijzondere aan de sloppen van Rio is dat ongeveer de helft in de greep is van drugsbendes en milities (criminele oud-agenten die de bevolking afpersen in ruil voor ‘veiligheid’, KK).’
Dan, realistisch. ‘Drugshandel houd je altijd. Maar die territoria moeten we terugwinnen. En daarna het vertrouwen van de bewoners. Vandaar de vredespolitie. We hebben goed geschoolde, humanistische (sic) agenten nodig. De derde fase is het bouwen van scholen, klinieken, riolering. Anders heeft de bezetting geen zin.’
Een jaar na de start is de impact van de vredespolitie nog vooral symbolisch. Ze heeft vijf favela’s onder controle: 1 procent van die bezette vijfhonderd. Maar volgens de plannen (die worden gesteund door de federale regering) moet dat aantal de komende jaren oplopen naar honderd. Daartoe zullen gaandeweg 12.000 extra wijkagenten van de opleiding druppelen.
Terug naar Cidade de Deus, het grootste laboratorium voor het nieuwe model. Op het centrale plein is het ’s avonds een gezellige boel rond de politiestandplaats. In barretjes wordt voetbal gekeken, er klinkt gezang uit een evangelisch kerkje en funkmuziek uit een internetcafé.

Bewoners Cidade de Deus
Uit een enquête is gebleken dat 90 procent van de bewoners wil dat de vredespolitie voor onbepaalde tijd blijft. Restauranthouder Aloizio is één van de weinigen die openlijk de lof zingt op de agenten. ‘Het is uitstekend wat ze doen! Er liepen hier jochies van tien met pistolen rond, verslaafd aan crack. De mensen durven weer uit te gaan.’ Hij is niet bang dat de politie weer zal vertrekken. ‘De Olympische Spelen zijn onze garantie. Een deel van de stadions ligt hier vlak achter. Politici kunnen Cidade de Deus niet meer uit handen geven.’
De machtwisseling heeft meer voordelen. Er is sinds februari pas één moord gepleegd. Ambulances en brandweer krijgen geen geweer meer op de voorruit als ze de wijk binnenrijden. Scholen functioneren nog steeds onregelmatig maar de lessen worden niet meer verstoord door schietpartijen. ‘De kinderen maken al minder schietgebaren bij het spelen’, merkt een crèchedirectrice op. De huizen – in Cidade de Deus staan lang niet alleen maar krotten – zullen meer waard worden. Lokale middenstanders balen wel dat er minder drugsgeld in omloop is, al wordt er op kleinere schaal nog steeds gedeald.
Kritiek op de wijkagenten is er ook. Acteur Leandro Firmino (31), bekend als de meedogenloze drugsbaron ‘Ze Pequeno’ in de film Cidade de Deus, blijkt het ook in het echt niet zo op de politie te hebben. Na zijn succes is hij gewoon in Cidade de Deus blijven wonen, in een rijtjeshuis op dertig meter van een open riool. ‘Die agenten denken al dat je een dealer bent als je met een rugzak loopt. Ze verbieden funkfeesten, ze zijn autoritair.’

Leandro Firmino
De Nederlandse favela-kenner Nanko van Buuren, van hulporganisatie Ibiss, is nog sceptisch. ‘Het is een goede poging om de politie dichter bij de mensen te brengen. Maar de vraag is hoe lang het duurt tot ook de vredespolitie corrumpeert. Het oude systeem is zo verschrikkelijk verrot. Om het politieapparaat op te schonen, heb je twee Bangu’s (de gevangenis van Rio, KK) nodig.’ Dit jaar zijn tweehonderd agenten van de oude garde ontslagen wegens wangedrag.
Een agent in Rio is met een beginloon van nog geen 400 euro een van de slechts betaalde dienders van Brazilië. Om de vredesagenten, die bewust worden gescheiden van de oude garde, te motiveren krijgen ze een bonus van 200 euro. Daarnaast tracht men ook de mentaliteit van de oude garde (‘de beste criminelen zijn dode criminelen’) te veranderen. Zij krijgen 150 euro als ze een bijscholing volgen.
Mensenrechtenactivisten noemen het tegenstrijdig dat de confrontatiestrategie in andere sloppen intussen gewoon doorgaat. Veiligheidschef Beltrame wijst die kritiek van de hand. ‘Het ontbreekt de politie aan mankracht om alle favela’s te pacificeren. Maar we kunnen de bendes niet hun gang laten gaan. Zo’n inval gebeurt alleen als we inlichtingen hebben over een drugs- of wapendepot.’
En hoe staat het met de derde fase: het urbaniseren van de favela’s? De regering van president Lula pompt miljarden in de sloppen van Rio. Voorlopig zijn het vooral grote, niet-gepacificeerde favela’s die ervan profiteren. In de sloppencomplexen Alemão, Manguinhos en Rocinha wordt onder het toeziend oog van de drugsbendes aan nutsvoorzieningen gewerkt. Begin 2010 is Cidade de Deus aan de beurt. Er is 160 miljoen euro voor het opknappen van de rioolrivier, het vervangen van krotten en het bouwen van een technische school, een muziekschool, een polikliniek, een bibliotheek, een bioscoop, een theater en een centrum voor werk en inkomen.
Nu de gijzeling door geweld voorlopig ten einde is, kan de strijd tegen de armoede beginnen. De Olympische Spelen geven de werkgelegenheid alvast een welkome oppepper. Om bedrijven aan te trekken, worden belastingprikkels overwogen. Nu werkt ruwweg de helft van de bewoners van Cidade de Deus als portiers en bewakers in Barra da Tijuca werkt, de rijke Olympische wijk even verderop. De andere helft hangt rond of gaat bij voorbeeld iets stelen in datzelfde Barra, een klein-Miami van shopping malls en stranden.

Nog een hoop te doen
Is de prille vrede in een handvol sloppen de opmaat naar een minder schizofrene stad? Beltrame hoopt dat de rest van de stad de gepacificeerde favela’s zal omarmen. ‘Anders verandert er feitelijk niets. De politie doet daarom een oproep: kom naar de favela’s, ze horen bij Rio.’
-------------------------------------------------------------------------------------
Het is half elf ’s ochtends in Cidade de Deus, een sloppenstad achter het toekomstige Olympisch dorp van Rio de Janeiro (2016). Een groepje wijkagenten is met het goede been uit bed gestapt. Opgewekt begroeten ze een bewoner die zijn auto staat te wassen. Ze worden genegeerd. Ook de buurman kijkt niet op of om. Bij een oude dame in een tuinstoel kan er net een knikje en een afgemeten ‘bom dia’ (goedendag) vanaf.
‘Ik begrijp de afstandelijkheid van de bewoners heel goed’, zegt kapitein Felipe Romeu, de politiechef van Cidade de Deus, een ‘favela’ (sloppenwijk) van honderdduizend inwoners. ‘De autoriteiten hebben zich veertig jaar niet laten zien. Dus waarom zou men geloven dat we ditmaal wel blijven? De drugsbende die de wijk in zijn greep had, heeft nog minderjarige verkenners rondlopen. Ze bedreigen mensen die openlijk met ons sympathiseren.’
Cidade de Deus (Stad van God) werd door de gelijknamige en gewelddadige film een icoon van de vergeten oorlog in de sloppen van Rio. Veldslagen tussen drugsbendes en politie bepalen er het dagelijks leven. Maar sinds februari van dit jaar staat de wijk op zijn kop. De politie heeft de soldaten van het Rode Commando (Rio’s grootste drugsfactie) verjaagd en een ambitieuze nieuwe aanpak op de wijk losgelaten: de ‘vredespolitie’. Wijkagenten patrouilleren dag en nacht. Voorheen beperkte de politie zich tot riskante invallen waarbij vaak geschoten werd. Nu voelt het veilig: deze verslaggever kon rustig alleen met zijn camera de wijk verkennen.
De vredesagenten zijn jonge, net afgestudeerde kerels, speciaal opgeleid om, naast repressief (ze zijn ‘gewoon’ zwaarbewapend), bewonersvriendelijk te werk te gaan. Dat wil zeggen: preventief en communicatief optreden, zonder geweld- en machtmisbruik, de mensenrechten indachtig. Voor de militaire politie van Rio is dat een revolutionair concept. Geen stadspolitiemacht ter wereld pleegt zoveel moorden (zo’n honderd per maand), veelal tijdens mistige ‘confrontaties’ in de favela’s. Geen stadspolitiemacht wordt ook zo vaak zelf getroffen (er sneuvelen zo’n tien agenten per maand).
Agent maakt al vliegerend vriendjes
Met het binnenhalen van de spelen van 2016 werd het doorbreken van de geweldsspiraal een zaak van landsbelang. De vergeten oorlog is immers terug in de wereldpers. De veiligheidschef van de provincie Rio, José Mariano Beltrame, heeft het maar wat druk met buitenlandse journalisten. Ook voor Wordt Vervolgd maakte hij tijd, vlak voordat bij gevechten in een sloppenwijk bij het Maracanã-stadion ruim veertig doden vallen.
‘Vooropgesteld: we kunnen vijftig jaar verwaarlozing niet inhalen in zeven jaar. De stad heeft al duizend favela’s. En het bijzondere aan de sloppen van Rio is dat ongeveer de helft in de greep is van drugsbendes en milities (criminele oud-agenten die de bevolking afpersen in ruil voor ‘veiligheid’, KK).’
Dan, realistisch. ‘Drugshandel houd je altijd. Maar die territoria moeten we terugwinnen. En daarna het vertrouwen van de bewoners. Vandaar de vredespolitie. We hebben goed geschoolde, humanistische (sic) agenten nodig. De derde fase is het bouwen van scholen, klinieken, riolering. Anders heeft de bezetting geen zin.’
Een jaar na de start is de impact van de vredespolitie nog vooral symbolisch. Ze heeft vijf favela’s onder controle: 1 procent van die bezette vijfhonderd. Maar volgens de plannen (die worden gesteund door de federale regering) moet dat aantal de komende jaren oplopen naar honderd. Daartoe zullen gaandeweg 12.000 extra wijkagenten van de opleiding druppelen.
Terug naar Cidade de Deus, het grootste laboratorium voor het nieuwe model. Op het centrale plein is het ’s avonds een gezellige boel rond de politiestandplaats. In barretjes wordt voetbal gekeken, er klinkt gezang uit een evangelisch kerkje en funkmuziek uit een internetcafé.
Bewoners Cidade de Deus
Uit een enquête is gebleken dat 90 procent van de bewoners wil dat de vredespolitie voor onbepaalde tijd blijft. Restauranthouder Aloizio is één van de weinigen die openlijk de lof zingt op de agenten. ‘Het is uitstekend wat ze doen! Er liepen hier jochies van tien met pistolen rond, verslaafd aan crack. De mensen durven weer uit te gaan.’ Hij is niet bang dat de politie weer zal vertrekken. ‘De Olympische Spelen zijn onze garantie. Een deel van de stadions ligt hier vlak achter. Politici kunnen Cidade de Deus niet meer uit handen geven.’
De machtwisseling heeft meer voordelen. Er is sinds februari pas één moord gepleegd. Ambulances en brandweer krijgen geen geweer meer op de voorruit als ze de wijk binnenrijden. Scholen functioneren nog steeds onregelmatig maar de lessen worden niet meer verstoord door schietpartijen. ‘De kinderen maken al minder schietgebaren bij het spelen’, merkt een crèchedirectrice op. De huizen – in Cidade de Deus staan lang niet alleen maar krotten – zullen meer waard worden. Lokale middenstanders balen wel dat er minder drugsgeld in omloop is, al wordt er op kleinere schaal nog steeds gedeald.
Kritiek op de wijkagenten is er ook. Acteur Leandro Firmino (31), bekend als de meedogenloze drugsbaron ‘Ze Pequeno’ in de film Cidade de Deus, blijkt het ook in het echt niet zo op de politie te hebben. Na zijn succes is hij gewoon in Cidade de Deus blijven wonen, in een rijtjeshuis op dertig meter van een open riool. ‘Die agenten denken al dat je een dealer bent als je met een rugzak loopt. Ze verbieden funkfeesten, ze zijn autoritair.’
Leandro Firmino
De Nederlandse favela-kenner Nanko van Buuren, van hulporganisatie Ibiss, is nog sceptisch. ‘Het is een goede poging om de politie dichter bij de mensen te brengen. Maar de vraag is hoe lang het duurt tot ook de vredespolitie corrumpeert. Het oude systeem is zo verschrikkelijk verrot. Om het politieapparaat op te schonen, heb je twee Bangu’s (de gevangenis van Rio, KK) nodig.’ Dit jaar zijn tweehonderd agenten van de oude garde ontslagen wegens wangedrag.
Een agent in Rio is met een beginloon van nog geen 400 euro een van de slechts betaalde dienders van Brazilië. Om de vredesagenten, die bewust worden gescheiden van de oude garde, te motiveren krijgen ze een bonus van 200 euro. Daarnaast tracht men ook de mentaliteit van de oude garde (‘de beste criminelen zijn dode criminelen’) te veranderen. Zij krijgen 150 euro als ze een bijscholing volgen.
Mensenrechtenactivisten noemen het tegenstrijdig dat de confrontatiestrategie in andere sloppen intussen gewoon doorgaat. Veiligheidschef Beltrame wijst die kritiek van de hand. ‘Het ontbreekt de politie aan mankracht om alle favela’s te pacificeren. Maar we kunnen de bendes niet hun gang laten gaan. Zo’n inval gebeurt alleen als we inlichtingen hebben over een drugs- of wapendepot.’
En hoe staat het met de derde fase: het urbaniseren van de favela’s? De regering van president Lula pompt miljarden in de sloppen van Rio. Voorlopig zijn het vooral grote, niet-gepacificeerde favela’s die ervan profiteren. In de sloppencomplexen Alemão, Manguinhos en Rocinha wordt onder het toeziend oog van de drugsbendes aan nutsvoorzieningen gewerkt. Begin 2010 is Cidade de Deus aan de beurt. Er is 160 miljoen euro voor het opknappen van de rioolrivier, het vervangen van krotten en het bouwen van een technische school, een muziekschool, een polikliniek, een bibliotheek, een bioscoop, een theater en een centrum voor werk en inkomen.
Nu de gijzeling door geweld voorlopig ten einde is, kan de strijd tegen de armoede beginnen. De Olympische Spelen geven de werkgelegenheid alvast een welkome oppepper. Om bedrijven aan te trekken, worden belastingprikkels overwogen. Nu werkt ruwweg de helft van de bewoners van Cidade de Deus als portiers en bewakers in Barra da Tijuca werkt, de rijke Olympische wijk even verderop. De andere helft hangt rond of gaat bij voorbeeld iets stelen in datzelfde Barra, een klein-Miami van shopping malls en stranden.
Nog een hoop te doen
Is de prille vrede in een handvol sloppen de opmaat naar een minder schizofrene stad? Beltrame hoopt dat de rest van de stad de gepacificeerde favela’s zal omarmen. ‘Anders verandert er feitelijk niets. De politie doet daarom een oproep: kom naar de favela’s, ze horen bij Rio.’
zondag, december 06, 2009
Over gletsjers, Evo en kralen
Drie verhalen uit De Telegraaf van vandaag en gisteren.
-------------------------------------------------------------------------------------
De Chacaltaya is de favoriete Andespiek (5421 meter) van Bolivianen die de heksenketel La Paz even willen ontvluchten. Families rijden in het weekend naar boven om sneeuwpoppen te maken en flessen drank te offeren aan Pachamama (Moeder Aarde). Vroeger kon er ook geskied worden op de hoogste piste ter wereld.
De berg is intussen uitgegroeid tot een symbool van de opwarming van de aarde. In een jaar of dertig is de oeroude gletsjer onder de top bijna helemaal weggesmolten. Het is dus gedaan met de skipret. Op de top hangt de kabel van de sleeplift er werkloos bij. Twee serveersters in de Club Andino Boliviano schenken het Hollandse bezoek een kop cocathee tegen de hoogteziekte. Toeristen zijn er vandaag verder niet.
Edson Ramirez, de bekendste gletsjerwetenschapper van Bolivia, volgt het lot van de Chacaltaya op de voet. In de aanloop naar de klimaattop in Kopenhagen wordt hij plat gebeld door de media. Afgaande op de uitspraken die hij daarin doet, zullen alle gletsjers in de Andes tot 2050 verdwijnen. Dat zou een ramp zijn voor miljoenen Bolivianen en Peruanen die voor hun drinkwatervoorziening deels op gletsjers leunen.
“Mijn woorden worden vaak verdraaid door journalisten en milieuclubs met een politieke agenda”, vertelt Ramirez tijdens een dag veldwerk bij andere gletsjers buiten La Paz. “Ik heb nooit gezegd dat alle Andesgletsjers gaan verdwijnen. Wel zal de evenwichtslijn (waarop de gletsjer evenveel verse sneeuw tot ijs verwerkt als er wegsmelt bij de gletsjertong, red) iets stijgen. De grotere gletsjers boven 5500 meter zullen standhouden. Maar voor de Chacaltaya is het te laat om zich te herstellen.”
Voor de duidelijkheid: Ramirez maakt zich welzeker zorgen over de krimpende gletsjers in de Andes. Sinds begin jaren tachtig zijn ze zo’n kwart van hun volume kwijtgeraakt. Tegelijkertijd steeg de temperatuur in de regio ruim een halve graad. Eén plus één is twee, zou je zeggen. Maar dat is volgens de gletsjergoeroe te simpel geredeneerd.

Edson Ramirez met op de achtergrond één van zijn smeltende onderzoeksobjecten
“Gletsjervorming is een complex proces, waarin temperatuur slechts één van meerdere factoren is. De crux is de neerslag. En hogere temperaturen betekenen niet automatisch minder neerslag. Hier in Bolivia is dat voorlopig wel het geval, maar in de Peruaanse Andes bij voorbeeld niet.”
De neerslag in de toch al kurkdroge regio valt wel steeds onregelmatiger. “Dat komt voor een deel door het vaker optreden van El Niño (perioden van droogte en warmte door opwarming van het oceaanwater), een natuurlijk fenomeen.” Kortom, Ramirez vindt de menselijke rol in het gletsjerleed nog lastig in te schatten.
Hoe dan ook hebben La Paz en de satellietstad El Alto te kampen met een groeiend waterprobleem. Tomas Quisbert, productiechef van waterbedrijf Epsas, constateert op de oevers van zijn belangrijkste stuwmeer (Tuni) dat het water historisch laag staat. Stuwmeren lessen 80 procent van de dorst van La Paz en El Alto. Zo’n 20 procent hiervan is smeltwater van gletsjers, de rest directe neerslag.
“Onze watercyclus is in de war en de steden blijven groeien. Als het zo doorgaat, gaat de kraan een keer dicht”, aldus Quisbert. Hij vertelt dat vroeger bij lange droogte wel eens een gletsjer werd opgeblazen, een tijdelijke en destructieve ‘oplossing’ die nu illegaal is.
Het bestuur van La Paz wil het probleem aanpakken door meer stuwmeren aan te leggen. In het uiterste geval overweegt het bewoners met zachte dwang te verhuizen naar neerslagrijke gebieden, zoals de Boliviaanse Amazone.
-------------------------------------------------------------------------------------
door Kieran Kaal
LA PAZ, zondag
In het Boliviaanse Andesdorp Asunta Quillviri stemt iedereen vandaag op ‘Evo’. In een kringgesprek onder de blikkerende hoogtezon oordelen de Aymara-indianen gematigd positief over de socialistische revolutie van president Evo Morales, die bij de verkiezingen comfortabel herkozen lijkt te worden.
“Hij is de eerste leider in 184 jaar republiek die oog voor ons heeft”, zo opent een dorpsoudere de discussie in het gehucht dat leeft van lamawol en vlees. “Hij is van ons bloed, hij weet hoe zwaar het leven op de hoogvlakte is. Maar voor een totale verandering heeft hij nog vijf jaar nodig. Of misschien wel vijftig.” Terwijl de mannen verder oreren, kijken vrouwen in bonte hoepeljurken en bolhoeden instemmend toe.
Voor de lang onderdrukte indiaanse meerderheid is hun ‘Evo’ een bevrijder à la Nelson Mandela. Dat is wel erg veel eer voor de oud-lamaherder en cocaboer die zijn land nog steeds regeert als een straatvechter. “Evo heeft de indianen weer zelfvertrouwen gegeven”, zegt Hernan Pacajes, directeur van Chakana, een organisatie die Aymara’s helpt met landbouwprojecten op de kurkdroge hoogvlakte. “Het punt is dat de discriminatie nu wordt omgedraaid. Evo voedt revanchegevoelens onder indianen."

Aymara in rode poncho (een teken van autoriteit
Toch weet Morales ook onder niet-indianen in de rijkere laaglanden menig stem te scoren. De oppositie stelt namelijk niets voor en de Boliviaanse economie doet het redelijk. Het armste land van Zuid-Amerika heeft dankzij hogere opbrengsten uit de genationaliseerde gassector een ongekende acht miljard dollar aan reserves in kas. De economie groeit dit crisisjaar met 3 procent. De explosieve groei van cocateelt en cocaïneproductie is daar volgens de VN mede debet aan.
De regering maakt zich verder populair met een reeks nieuwe uitkeringen. Zo zijn er ‘bonos’ voor ouders van schoolgaande kinderen, ouderen en zwangere vrouwen. In dorpen als Asunta Quillviri druppelen beetje bij beetje elektriciteit- en watervoorzieningen binnen. Ook is het analfabetisme sterk teruggedrongen.
Bolivia’s achilleshiel blijft het gebrek aan banen. Het werkloosheidscijfer is, officieel tenminste, 11 procent. Los van grondstoffen produceert het land vrijwel niets. De regeringszetel La Paz, die tot op de laatste lantaarnpaal is beschilderd met pro-Evo-leuzen, is dan ook één grote marktplaats van informele straatventers. Morales belooft komende jaren werk te maken van de industrialisatie van het land.
De spanning zit hem vandaag bovenal in de verkiezingen voor de senaat, de enige institutie die de regering afgelopen jaren dwars zat. Als de socialistische partij van Morales tweederde van de zetels veroverd, kan hij snel een honderdtal wetten door het parlement drukken. Dit ter invulling van de eerder dit jaar aangenomen grondwet, die de wederopstanding van de indianen moet vormgeven. “De revolutie begint nu pas”, concludeert één van de bezochte Aymara-autoriteiten in zijn rode poncho.
-------------------------------------------------------------------------------------
“Rijke Braziliaanse vrouwen vinden het prachtig.” De Amsterdamse ondernemer Frans Kemper staat op de antiekmarkt van São Paulo een Oudhollands exportproduct te verkopen. “Kijk, deze ketting doet ruim duizend euro. Deels gemaakt van antieke Hollandse kralen, door de Fulani-stam uit Mali.”
Het kan verkeren. De – op zichzelf waardeloze – glaskralen waarmee Europeanen eeuwenlang goede zaken deden in overzeese gebieden, worden nu voor een leuk prijsje terugverkocht door Afrikaanse ambachtslieden.
De Amsterdamse glasmaker Jan Hendriksz Soop was in de 17e een belangrijke leverancier van onder andere de VOC. Zijn kralen duiken over de hele wereld (Indonesië, Afrika, New York, Sint Eustatius) op. Aanvankelijk dienden ze als ballast op houten schepen, die op de heenweg (zonder lading) hoog op het water lagen. Toen bleek dat de kralen bij aankomst geruild konden worden voor slaven, specerijen en goederen, explodeerde de Europese glasindustrie.
“De koloniale kralen die in Afrika worden gevonden, komen allemaal uit Venetië, de Bohemen (het huidige Tsjechië, red) en Amsterdam. Dat waren de drie productiecentra”, vertelt Kemper, een voormalige Philips-directeur die zijn carrière in 2007 over een andere boeg gooide.
Hij koopt zijn kettingen in bij West-Afrikaanse stammen als de Dogon, de Touareg en de Fulani, in Mali. “Dat was in de Gouden Eeuw het logistieke handelscentrum van Afrika. Er kwamen dus veel kralen terecht. We merken wel dat ze schaarser worden door de grote vraag. We moeten steeds verder landinwaarts om zaken te doen. Sommige stammen breken hun graven zelfs open voor meer kralen.” De glaskralen worden niet meer gemaakt in Europa.
De tijd van uitbuiting van de lokale bevolking is voorbij, verzekert Kemper. “We betalen fatsoenlijke prijzen. We werken met het keurmerk van Fairtrade.” Voor het topexemplaar van de collectie, de Fulani-ketting van een goede duizend euro, betaalde hij de stamleden “honderd à 150 euro. We hanteren normale winkeliermarges, maar we laten wel wat achter ter plaatse. Vergeet ook niet dat Brazilië een importheffing van 80 procent rekent op sieraden. Dat jaagt de prijzen omhoog.”
Gelukkig voor Kemper zitten de klanten op de antiekmarkt van Jardim Europa, de goudkust van São Paulo, niet krap bij kas.
-------------------------------------------------------------------------------------
De Chacaltaya is de favoriete Andespiek (5421 meter) van Bolivianen die de heksenketel La Paz even willen ontvluchten. Families rijden in het weekend naar boven om sneeuwpoppen te maken en flessen drank te offeren aan Pachamama (Moeder Aarde). Vroeger kon er ook geskied worden op de hoogste piste ter wereld.
De berg is intussen uitgegroeid tot een symbool van de opwarming van de aarde. In een jaar of dertig is de oeroude gletsjer onder de top bijna helemaal weggesmolten. Het is dus gedaan met de skipret. Op de top hangt de kabel van de sleeplift er werkloos bij. Twee serveersters in de Club Andino Boliviano schenken het Hollandse bezoek een kop cocathee tegen de hoogteziekte. Toeristen zijn er vandaag verder niet.
Edson Ramirez, de bekendste gletsjerwetenschapper van Bolivia, volgt het lot van de Chacaltaya op de voet. In de aanloop naar de klimaattop in Kopenhagen wordt hij plat gebeld door de media. Afgaande op de uitspraken die hij daarin doet, zullen alle gletsjers in de Andes tot 2050 verdwijnen. Dat zou een ramp zijn voor miljoenen Bolivianen en Peruanen die voor hun drinkwatervoorziening deels op gletsjers leunen.
“Mijn woorden worden vaak verdraaid door journalisten en milieuclubs met een politieke agenda”, vertelt Ramirez tijdens een dag veldwerk bij andere gletsjers buiten La Paz. “Ik heb nooit gezegd dat alle Andesgletsjers gaan verdwijnen. Wel zal de evenwichtslijn (waarop de gletsjer evenveel verse sneeuw tot ijs verwerkt als er wegsmelt bij de gletsjertong, red) iets stijgen. De grotere gletsjers boven 5500 meter zullen standhouden. Maar voor de Chacaltaya is het te laat om zich te herstellen.”
Voor de duidelijkheid: Ramirez maakt zich welzeker zorgen over de krimpende gletsjers in de Andes. Sinds begin jaren tachtig zijn ze zo’n kwart van hun volume kwijtgeraakt. Tegelijkertijd steeg de temperatuur in de regio ruim een halve graad. Eén plus één is twee, zou je zeggen. Maar dat is volgens de gletsjergoeroe te simpel geredeneerd.
Edson Ramirez met op de achtergrond één van zijn smeltende onderzoeksobjecten
“Gletsjervorming is een complex proces, waarin temperatuur slechts één van meerdere factoren is. De crux is de neerslag. En hogere temperaturen betekenen niet automatisch minder neerslag. Hier in Bolivia is dat voorlopig wel het geval, maar in de Peruaanse Andes bij voorbeeld niet.”
De neerslag in de toch al kurkdroge regio valt wel steeds onregelmatiger. “Dat komt voor een deel door het vaker optreden van El Niño (perioden van droogte en warmte door opwarming van het oceaanwater), een natuurlijk fenomeen.” Kortom, Ramirez vindt de menselijke rol in het gletsjerleed nog lastig in te schatten.
Hoe dan ook hebben La Paz en de satellietstad El Alto te kampen met een groeiend waterprobleem. Tomas Quisbert, productiechef van waterbedrijf Epsas, constateert op de oevers van zijn belangrijkste stuwmeer (Tuni) dat het water historisch laag staat. Stuwmeren lessen 80 procent van de dorst van La Paz en El Alto. Zo’n 20 procent hiervan is smeltwater van gletsjers, de rest directe neerslag.
“Onze watercyclus is in de war en de steden blijven groeien. Als het zo doorgaat, gaat de kraan een keer dicht”, aldus Quisbert. Hij vertelt dat vroeger bij lange droogte wel eens een gletsjer werd opgeblazen, een tijdelijke en destructieve ‘oplossing’ die nu illegaal is.
Het bestuur van La Paz wil het probleem aanpakken door meer stuwmeren aan te leggen. In het uiterste geval overweegt het bewoners met zachte dwang te verhuizen naar neerslagrijke gebieden, zoals de Boliviaanse Amazone.
-------------------------------------------------------------------------------------
door Kieran Kaal
LA PAZ, zondag
In het Boliviaanse Andesdorp Asunta Quillviri stemt iedereen vandaag op ‘Evo’. In een kringgesprek onder de blikkerende hoogtezon oordelen de Aymara-indianen gematigd positief over de socialistische revolutie van president Evo Morales, die bij de verkiezingen comfortabel herkozen lijkt te worden.
“Hij is de eerste leider in 184 jaar republiek die oog voor ons heeft”, zo opent een dorpsoudere de discussie in het gehucht dat leeft van lamawol en vlees. “Hij is van ons bloed, hij weet hoe zwaar het leven op de hoogvlakte is. Maar voor een totale verandering heeft hij nog vijf jaar nodig. Of misschien wel vijftig.” Terwijl de mannen verder oreren, kijken vrouwen in bonte hoepeljurken en bolhoeden instemmend toe.
Voor de lang onderdrukte indiaanse meerderheid is hun ‘Evo’ een bevrijder à la Nelson Mandela. Dat is wel erg veel eer voor de oud-lamaherder en cocaboer die zijn land nog steeds regeert als een straatvechter. “Evo heeft de indianen weer zelfvertrouwen gegeven”, zegt Hernan Pacajes, directeur van Chakana, een organisatie die Aymara’s helpt met landbouwprojecten op de kurkdroge hoogvlakte. “Het punt is dat de discriminatie nu wordt omgedraaid. Evo voedt revanchegevoelens onder indianen."
Aymara in rode poncho (een teken van autoriteit
Toch weet Morales ook onder niet-indianen in de rijkere laaglanden menig stem te scoren. De oppositie stelt namelijk niets voor en de Boliviaanse economie doet het redelijk. Het armste land van Zuid-Amerika heeft dankzij hogere opbrengsten uit de genationaliseerde gassector een ongekende acht miljard dollar aan reserves in kas. De economie groeit dit crisisjaar met 3 procent. De explosieve groei van cocateelt en cocaïneproductie is daar volgens de VN mede debet aan.
De regering maakt zich verder populair met een reeks nieuwe uitkeringen. Zo zijn er ‘bonos’ voor ouders van schoolgaande kinderen, ouderen en zwangere vrouwen. In dorpen als Asunta Quillviri druppelen beetje bij beetje elektriciteit- en watervoorzieningen binnen. Ook is het analfabetisme sterk teruggedrongen.
Bolivia’s achilleshiel blijft het gebrek aan banen. Het werkloosheidscijfer is, officieel tenminste, 11 procent. Los van grondstoffen produceert het land vrijwel niets. De regeringszetel La Paz, die tot op de laatste lantaarnpaal is beschilderd met pro-Evo-leuzen, is dan ook één grote marktplaats van informele straatventers. Morales belooft komende jaren werk te maken van de industrialisatie van het land.
De spanning zit hem vandaag bovenal in de verkiezingen voor de senaat, de enige institutie die de regering afgelopen jaren dwars zat. Als de socialistische partij van Morales tweederde van de zetels veroverd, kan hij snel een honderdtal wetten door het parlement drukken. Dit ter invulling van de eerder dit jaar aangenomen grondwet, die de wederopstanding van de indianen moet vormgeven. “De revolutie begint nu pas”, concludeert één van de bezochte Aymara-autoriteiten in zijn rode poncho.
-------------------------------------------------------------------------------------
“Rijke Braziliaanse vrouwen vinden het prachtig.” De Amsterdamse ondernemer Frans Kemper staat op de antiekmarkt van São Paulo een Oudhollands exportproduct te verkopen. “Kijk, deze ketting doet ruim duizend euro. Deels gemaakt van antieke Hollandse kralen, door de Fulani-stam uit Mali.”
Het kan verkeren. De – op zichzelf waardeloze – glaskralen waarmee Europeanen eeuwenlang goede zaken deden in overzeese gebieden, worden nu voor een leuk prijsje terugverkocht door Afrikaanse ambachtslieden.
De Amsterdamse glasmaker Jan Hendriksz Soop was in de 17e een belangrijke leverancier van onder andere de VOC. Zijn kralen duiken over de hele wereld (Indonesië, Afrika, New York, Sint Eustatius) op. Aanvankelijk dienden ze als ballast op houten schepen, die op de heenweg (zonder lading) hoog op het water lagen. Toen bleek dat de kralen bij aankomst geruild konden worden voor slaven, specerijen en goederen, explodeerde de Europese glasindustrie.
“De koloniale kralen die in Afrika worden gevonden, komen allemaal uit Venetië, de Bohemen (het huidige Tsjechië, red) en Amsterdam. Dat waren de drie productiecentra”, vertelt Kemper, een voormalige Philips-directeur die zijn carrière in 2007 over een andere boeg gooide.
Hij koopt zijn kettingen in bij West-Afrikaanse stammen als de Dogon, de Touareg en de Fulani, in Mali. “Dat was in de Gouden Eeuw het logistieke handelscentrum van Afrika. Er kwamen dus veel kralen terecht. We merken wel dat ze schaarser worden door de grote vraag. We moeten steeds verder landinwaarts om zaken te doen. Sommige stammen breken hun graven zelfs open voor meer kralen.” De glaskralen worden niet meer gemaakt in Europa.
De tijd van uitbuiting van de lokale bevolking is voorbij, verzekert Kemper. “We betalen fatsoenlijke prijzen. We werken met het keurmerk van Fairtrade.” Voor het topexemplaar van de collectie, de Fulani-ketting van een goede duizend euro, betaalde hij de stamleden “honderd à 150 euro. We hanteren normale winkeliermarges, maar we laten wel wat achter ter plaatse. Vergeet ook niet dat Brazilië een importheffing van 80 procent rekent op sieraden. Dat jaagt de prijzen omhoog.”
Gelukkig voor Kemper zitten de klanten op de antiekmarkt van Jardim Europa, de goudkust van São Paulo, niet krap bij kas.
maandag, november 16, 2009
Fawcett freaks
Column uit Wakker Nederland van vandaag.
-----------------------------------------------------------------------------------
Waar kun je nog avonturen beleven op deze platgetrapte aardbol? Mijn huisgenoot, een jonge Nederlandse leraar die iets beleven wil, zoekt het binnenkort aan de zuidrand van het Amazonewoud.
Hij is op het idee gebracht door een recent boek over de legendarische ontdekkingsreiziger Percy Fawcett: ‘The Lost City of Z’. De Britse kolonel verdween in 1925 toen hij met zijn zoon en diens boezemvriend op zoek was naar een verdwenen Braziliaanse oerwoudstad. Tot op de dag van vandaag is het een raadsel wat er gebeurd is. Vermoedelijk maakten indianen het trio een kopje kleiner.
Fawcett, die in de verfilming van het boek zal worden gespeeld door Brad Pitt, was een beroemdheid. Sterk als een leeuw, handig als een indiaan en onverzettelijk als een ezel zette hij de wildernis van Zuid-Amerika naar zijn hand. Hij bracht gebieden in kaart waar geen blanke ooit voet had gezet. “Hij baande zich niet zomaar een weg door het bos, nee, hij sloeg wild in het rond met zijn machete, alsof hij door bijen werd gestoken”, staat in het boek te lezen.
Sinds de verdwijning traden talloze avonturiers in de voetsporen van de Britten. Naar schatting honderd ‘Fawcett freaks’ vonden daarbij ook zelf de dood. In 1996 probeerde een Braziliaan het nog met een expeditie per vliegtuigje. Hij werd gegijzeld door indianen en ontsnapte ternauwernood aan een lynchpartij.
De schrijver van het boek, David Grann, heeft meer geluk. Het gebied waarin Fawcett zich stuk liep, het huidige Xingu-reservaat, is door de sloop van het oerwoud steeds makkelijker te benaderen. Een groep Kalapalo-indianen brengt hem binnen. Deze stam zegt Fawcetts laatste rooksignalen te hebben gezien, boven het territorium van andere, als vijandig bekend staande indianen. Grann ontmoet ook een Amerikaanse archeoloog die resten heeft gevonden van een verrassend complexe nederzetting in het oerwoud, compleet met muren, wegen, bruggen en veel potscherven. “Arme Fawcett, hij was zo dichtbij.”
Het blijft evenwel gissen hoe de onverwoestbare Brit zijn Waterloo vond. Mijn huisgenoot ziet de krantenkop al voor zich: ‘Nederlander kraakt 84 jaar oud Fawcett-mysterie’.
Mocht onze Indiana Jones het waarmaken, of zich juist vreselijk tegenkomen onderweg, dan leest u binnenkort het vervolgverhaal.
-----------------------------------------------------------------------------------
Waar kun je nog avonturen beleven op deze platgetrapte aardbol? Mijn huisgenoot, een jonge Nederlandse leraar die iets beleven wil, zoekt het binnenkort aan de zuidrand van het Amazonewoud.
Hij is op het idee gebracht door een recent boek over de legendarische ontdekkingsreiziger Percy Fawcett: ‘The Lost City of Z’. De Britse kolonel verdween in 1925 toen hij met zijn zoon en diens boezemvriend op zoek was naar een verdwenen Braziliaanse oerwoudstad. Tot op de dag van vandaag is het een raadsel wat er gebeurd is. Vermoedelijk maakten indianen het trio een kopje kleiner.
Fawcett, die in de verfilming van het boek zal worden gespeeld door Brad Pitt, was een beroemdheid. Sterk als een leeuw, handig als een indiaan en onverzettelijk als een ezel zette hij de wildernis van Zuid-Amerika naar zijn hand. Hij bracht gebieden in kaart waar geen blanke ooit voet had gezet. “Hij baande zich niet zomaar een weg door het bos, nee, hij sloeg wild in het rond met zijn machete, alsof hij door bijen werd gestoken”, staat in het boek te lezen.
Sinds de verdwijning traden talloze avonturiers in de voetsporen van de Britten. Naar schatting honderd ‘Fawcett freaks’ vonden daarbij ook zelf de dood. In 1996 probeerde een Braziliaan het nog met een expeditie per vliegtuigje. Hij werd gegijzeld door indianen en ontsnapte ternauwernood aan een lynchpartij.
De schrijver van het boek, David Grann, heeft meer geluk. Het gebied waarin Fawcett zich stuk liep, het huidige Xingu-reservaat, is door de sloop van het oerwoud steeds makkelijker te benaderen. Een groep Kalapalo-indianen brengt hem binnen. Deze stam zegt Fawcetts laatste rooksignalen te hebben gezien, boven het territorium van andere, als vijandig bekend staande indianen. Grann ontmoet ook een Amerikaanse archeoloog die resten heeft gevonden van een verrassend complexe nederzetting in het oerwoud, compleet met muren, wegen, bruggen en veel potscherven. “Arme Fawcett, hij was zo dichtbij.”
Het blijft evenwel gissen hoe de onverwoestbare Brit zijn Waterloo vond. Mijn huisgenoot ziet de krantenkop al voor zich: ‘Nederlander kraakt 84 jaar oud Fawcett-mysterie’.
Mocht onze Indiana Jones het waarmaken, of zich juist vreselijk tegenkomen onderweg, dan leest u binnenkort het vervolgverhaal.
dinsdag, oktober 20, 2009
Interview veiligheidschef Rio de Janeiro
Uit de krant van vanochtend.
Wie meer wil weten over de 'vredespolitie': in december staat in Wordt Vervolgd (het blad van Amnesty International) een reportage over de sloppenwijk Cidade de Deus.
-------------------------------------------------------------------------------------
Veiligheidschef José Mariano Beltrame heeft een herculische opdracht: de openbare orde herstellen in de sloppenwijken van Rio de Janeiro. Afgelopen weekend vielen nog 22 doden bij een drugsconflict in de omgeving van het Maracanã-stadion, het hoofdtheater van de zomerspelen van 2016.
“Vooropgesteld: zeven jaar is niet genoeg om vijftig jaar verwaarlozing uit te wissen”, vertelt hij in een interview met deze krant. “Dat hebben we het IOC ook eerlijk verteld. Eerst moeten we de territoria van drugsbendes en milities (criminele oud-politieagenten, red) zien te heroveren. Ze controleren tegen de helft van de duizend sloppenwijken. Die controle is trouwens relatief. De politie kan die wijken ieder moment overnemen, maar ze mist de mankracht voor een permanente bezetting.”
De militaire politie wordt komende jaren uitgebreid van 38.000 naar 60.000 agenten. Ongeveer de helft van de rekruten zal bestemd zijn voor een nieuwe tak in het korps, de ‘vredespolitie’. Beltrame veert op als zijn stokpaard ter sprake komt.
“We hebben in vier sloppenwijken de lokale bende verdreven en net afgestudeerde wijkagenten naar binnen gestuurd. Ze staan dichter bij de bewoners, door meer preventief en communicatief op te treden. Ik houd hen gescheiden van de oude garde, zodat ze niet besmet raken met zekere kwalen van de politie.”
In de vier uitverkoren favelas moet de terugkeer van de overheid worden benut om de sociale voorzieningen te verbeteren. “Daar is een begin mee gemaakt, maar ik heb mijn collega’s gevraagd meer vaart te maken. Anders heeft de bezetting weinig zin.” Tot aan december zal de vredespolitie nog vijf sloppen bezetten. “We hebben er zo’n honderd op het oog voor dit model.”

José Mariano Beltrame
In andere criminele bolwerken blijft Beltrame de confrontatie zoeken. De politie doet regelmatig invallen om wapens en drugs in beslag te nemen, al worden daarbij ook onschuldige bewoners gedood. “Kijk, we doen dat liever niet: binnenvallen en gelijk weer vertrekken. Maar soms hebben we geen keus. In 2007 kregen we veel kritiek toen er negentien doden vielen bij een politieoperatie in het Complex van de Duitser (een sloppencomplex, red). De lokale bende had daar meer munitie opgeslagen dan de complete militaire politie. De agenten werden daarop onthaald en schoten terug. Had ik dat depot dan ongemoeid moeten laten?” De territoriale gevechten tussen twee drugsbendes in het afgelopen weekend zijn volgens Beltrame een teken dat ze terrein verliezen.
De kans is groot dat Rio’s gouverneur Cabral volgend jaar wordt herkozen en rechterhand Beltrame “zou graag doorgaan. Maar ook zonder mij is de vredespolitie een blijvertje. Mijn eventuele opvolger zou een ezel zijn om zo’n succesvol project te stoppen.”
Sloppenwijken die in 2016 nog steeds vrijstaatjes zijn, kunnen tijdens de spelen rekenen op een omsingeling door de politie, zoals dat ook tijdens de – rustig verlopen – Pan-Amerikaanse Spelen van 2007 gebeurde.
Wie meer wil weten over de 'vredespolitie': in december staat in Wordt Vervolgd (het blad van Amnesty International) een reportage over de sloppenwijk Cidade de Deus.
-------------------------------------------------------------------------------------
Veiligheidschef José Mariano Beltrame heeft een herculische opdracht: de openbare orde herstellen in de sloppenwijken van Rio de Janeiro. Afgelopen weekend vielen nog 22 doden bij een drugsconflict in de omgeving van het Maracanã-stadion, het hoofdtheater van de zomerspelen van 2016.
“Vooropgesteld: zeven jaar is niet genoeg om vijftig jaar verwaarlozing uit te wissen”, vertelt hij in een interview met deze krant. “Dat hebben we het IOC ook eerlijk verteld. Eerst moeten we de territoria van drugsbendes en milities (criminele oud-politieagenten, red) zien te heroveren. Ze controleren tegen de helft van de duizend sloppenwijken. Die controle is trouwens relatief. De politie kan die wijken ieder moment overnemen, maar ze mist de mankracht voor een permanente bezetting.”
De militaire politie wordt komende jaren uitgebreid van 38.000 naar 60.000 agenten. Ongeveer de helft van de rekruten zal bestemd zijn voor een nieuwe tak in het korps, de ‘vredespolitie’. Beltrame veert op als zijn stokpaard ter sprake komt.
“We hebben in vier sloppenwijken de lokale bende verdreven en net afgestudeerde wijkagenten naar binnen gestuurd. Ze staan dichter bij de bewoners, door meer preventief en communicatief op te treden. Ik houd hen gescheiden van de oude garde, zodat ze niet besmet raken met zekere kwalen van de politie.”
In de vier uitverkoren favelas moet de terugkeer van de overheid worden benut om de sociale voorzieningen te verbeteren. “Daar is een begin mee gemaakt, maar ik heb mijn collega’s gevraagd meer vaart te maken. Anders heeft de bezetting weinig zin.” Tot aan december zal de vredespolitie nog vijf sloppen bezetten. “We hebben er zo’n honderd op het oog voor dit model.”
José Mariano Beltrame
In andere criminele bolwerken blijft Beltrame de confrontatie zoeken. De politie doet regelmatig invallen om wapens en drugs in beslag te nemen, al worden daarbij ook onschuldige bewoners gedood. “Kijk, we doen dat liever niet: binnenvallen en gelijk weer vertrekken. Maar soms hebben we geen keus. In 2007 kregen we veel kritiek toen er negentien doden vielen bij een politieoperatie in het Complex van de Duitser (een sloppencomplex, red). De lokale bende had daar meer munitie opgeslagen dan de complete militaire politie. De agenten werden daarop onthaald en schoten terug. Had ik dat depot dan ongemoeid moeten laten?” De territoriale gevechten tussen twee drugsbendes in het afgelopen weekend zijn volgens Beltrame een teken dat ze terrein verliezen.
De kans is groot dat Rio’s gouverneur Cabral volgend jaar wordt herkozen en rechterhand Beltrame “zou graag doorgaan. Maar ook zonder mij is de vredespolitie een blijvertje. Mijn eventuele opvolger zou een ezel zijn om zo’n succesvol project te stoppen.”
Sloppenwijken die in 2016 nog steeds vrijstaatjes zijn, kunnen tijdens de spelen rekenen op een omsingeling door de politie, zoals dat ook tijdens de – rustig verlopen – Pan-Amerikaanse Spelen van 2007 gebeurde.
maandag, oktober 12, 2009
Fietsen op de Avenida Paulista
Column uit De Telegraaf van vandaag.
-----------------------------------------------------------------------------------
Het gebeurt niet vaak dat fietsers de macht grijpen op de Avenida Paulista. Maar vanavond rijdt er een heus peloton tussen de kantoortorens in het hart van São Paulo. Het asfalt is strak als een biljartlaken. Wat zou hier een fantastisch fietspad kunnen liggen!
We blokkeren een kruispunt en heffen onze stalen rossen ter hemel. “Minder auto’s, meer fietsen!”, zo schreeuwen de Don Quichottes hun kelen schor. Voetgangers kijken meewarig toe. Een woud van koplampen staart ons geïrriteerd aan vanuit het donker. Een motorrijder probeert er toeterend door te komen.
“Gewoonlijk nemen ze óns te grazen in het verkeer. Nu zijn wij aan de beurt om een beetje te treiteren,” lacht Rogerio Telles – al vier keer aangereden met zijn fiets. Hij hoort bij de harde kern van de ‘Bicicletada’, een groep fietsactivisten die één keer per maand demonstratief door de stad rijdt.

credit: JP Almeida
Ze hullen zich daarbij in clown- en gasmaskers en T-shirts met lollige teksten als ‘Plezier tussen de benen’. De groep houdt de blokkade een paar minuten vol en rijdt – onder escort van een politiewagen – verder naar het historische centrum.
Fietsen vereist guerrillavaardigheden in de betonjungle van São Paulo. Er rijden vijf miljoen auto’s rond en elke dag komen er achthonderd bij. Fietspaden zijn er nauwelijks, dus kalken de activisten soms zelf maar een fietsstreep op het wegdek.
Het gevecht om een beetje ruimte is namelijk zeer de moeite waard. De fiets komt bij een jaarlijks wedstrijdje met andere vervoermiddelen steevast als snelste uit de bus. Geen wonder, de heilige koe rijdt in São Paulo’s infernale middagspits gemiddeld vijftien kilometer per uur. ‘Paulistanos’ zitten dagelijks 2 uur en 43 minuten gevangen in het verkeer.
Je hoeft toch geen geitenwollen sok te zijn om te stellen dat het hoog tijd is voor betere alternatieven. Vorige maand was er een succesje. De gemeente opende een fietsstrook van vijf kilometer. Detail: alleen te gebruiken op zondag van 7.00 tot 14.00 uur.
Tja. Dat schiet dus niet op zo. De fiets is hier de status van speelgoed nog niet ontstegen.
-----------------------------------------------------------------------------------
Het gebeurt niet vaak dat fietsers de macht grijpen op de Avenida Paulista. Maar vanavond rijdt er een heus peloton tussen de kantoortorens in het hart van São Paulo. Het asfalt is strak als een biljartlaken. Wat zou hier een fantastisch fietspad kunnen liggen!
We blokkeren een kruispunt en heffen onze stalen rossen ter hemel. “Minder auto’s, meer fietsen!”, zo schreeuwen de Don Quichottes hun kelen schor. Voetgangers kijken meewarig toe. Een woud van koplampen staart ons geïrriteerd aan vanuit het donker. Een motorrijder probeert er toeterend door te komen.
“Gewoonlijk nemen ze óns te grazen in het verkeer. Nu zijn wij aan de beurt om een beetje te treiteren,” lacht Rogerio Telles – al vier keer aangereden met zijn fiets. Hij hoort bij de harde kern van de ‘Bicicletada’, een groep fietsactivisten die één keer per maand demonstratief door de stad rijdt.

credit: JP Almeida
Ze hullen zich daarbij in clown- en gasmaskers en T-shirts met lollige teksten als ‘Plezier tussen de benen’. De groep houdt de blokkade een paar minuten vol en rijdt – onder escort van een politiewagen – verder naar het historische centrum.
Fietsen vereist guerrillavaardigheden in de betonjungle van São Paulo. Er rijden vijf miljoen auto’s rond en elke dag komen er achthonderd bij. Fietspaden zijn er nauwelijks, dus kalken de activisten soms zelf maar een fietsstreep op het wegdek.
Het gevecht om een beetje ruimte is namelijk zeer de moeite waard. De fiets komt bij een jaarlijks wedstrijdje met andere vervoermiddelen steevast als snelste uit de bus. Geen wonder, de heilige koe rijdt in São Paulo’s infernale middagspits gemiddeld vijftien kilometer per uur. ‘Paulistanos’ zitten dagelijks 2 uur en 43 minuten gevangen in het verkeer.
Je hoeft toch geen geitenwollen sok te zijn om te stellen dat het hoog tijd is voor betere alternatieven. Vorige maand was er een succesje. De gemeente opende een fietsstrook van vijf kilometer. Detail: alleen te gebruiken op zondag van 7.00 tot 14.00 uur.
Tja. Dat schiet dus niet op zo. De fiets is hier de status van speelgoed nog niet ontstegen.
maandag, oktober 05, 2009
São blikt terug op terreurgolf
Uit De Telegraaf van vanochtend.
-------------------------------------------------------------------------------------
Ze wisten ‘de stad die nooit stilstaat’ dagenlang lam te leggen. In São Paulo is het megaproces begonnen tegen de leiders van de machtige gevangenisbende PCC.
Tegelijkertijd ging dit weekend een film in première over de ongekende terreurgolf die de PCC op de wereldstad losliet. De Braziliaanse Oscarkandidaat ‘Salve Geral’ neemt de kijker terug naar het moederdagweekend van 2006. PCC-leider Marcos ‘Marcola’ Camacho is woedend over zijn overplaatsing naar een zwaarbewaakte gevangenis in het achterland van São Paulo. Hij geeft zijn straattroepen, dat weekend ruim in aantal dankzij moederdagverlof, met een paar telefoontjes het sein ‘salve geral’: aanvallen!
Er wordt in het wilde weg geschoten op politiebureaus, banken en winkels. Bijna vijftig agenten worden vermoord en de politie executeert uit wraak honderden ‘verdachten’. Miljoenen Brazilianen zitten gegijzeld thuis. De furie komt pas ten einde na een deal tussen Marcola en de gouverneur van São Paulo, wat door de laatste overigens wordt ontkend.
De film was op voorhand al omstreden. Regisseur Sergio Rezende zou sympathie tonen voor de PCC. Hij maakt haarfijn duidelijk dat de autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de groei van dit paard van Troje achter de tralies.
De PCC werd in 1993 opgericht uit woede over de beestachtige toestanden in de gevangenissen. De organisatie fungeerde als een soort vakbond voor gevangenen. Pas in 2001 erkennen de autoriteiten het gevaar van de PCC. Het aantal leden wordt inmiddels geschat op 100.000. En de gevangenissen blijven overbezet. Een tijdbom.
“Er kan ieder moment iets heel ernstigs gebeuren”, waarschuwt Nagashi Furukawa, oud- gevangenissecretaris van São Paulo. Hij denkt bij voorbeeld aan een massale uitbraak.
De PCC is behendig in het binnensmokkelen van mobiele telefoons en controleert daardoor ook op straat de misdaad. Drugshandel, ontvoeringen, bankovervallen; van de ooit nobele intenties is niets over.
Marcola, een voormalige bankovervaller die al vier keer uit de gevangenis ontsnapte, wordt in de eerste van tien rechtszaken beschuldigd van de moord op een rechter. Zijn rechterhand ‘Julinho Carambola’, werd hiervoor vrijdag tot 29 jaar cel veroordeeld.
-------------------------------------------------------------------------------------
Ze wisten ‘de stad die nooit stilstaat’ dagenlang lam te leggen. In São Paulo is het megaproces begonnen tegen de leiders van de machtige gevangenisbende PCC.
Tegelijkertijd ging dit weekend een film in première over de ongekende terreurgolf die de PCC op de wereldstad losliet. De Braziliaanse Oscarkandidaat ‘Salve Geral’ neemt de kijker terug naar het moederdagweekend van 2006. PCC-leider Marcos ‘Marcola’ Camacho is woedend over zijn overplaatsing naar een zwaarbewaakte gevangenis in het achterland van São Paulo. Hij geeft zijn straattroepen, dat weekend ruim in aantal dankzij moederdagverlof, met een paar telefoontjes het sein ‘salve geral’: aanvallen!
Er wordt in het wilde weg geschoten op politiebureaus, banken en winkels. Bijna vijftig agenten worden vermoord en de politie executeert uit wraak honderden ‘verdachten’. Miljoenen Brazilianen zitten gegijzeld thuis. De furie komt pas ten einde na een deal tussen Marcola en de gouverneur van São Paulo, wat door de laatste overigens wordt ontkend.
De film was op voorhand al omstreden. Regisseur Sergio Rezende zou sympathie tonen voor de PCC. Hij maakt haarfijn duidelijk dat de autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de groei van dit paard van Troje achter de tralies.
De PCC werd in 1993 opgericht uit woede over de beestachtige toestanden in de gevangenissen. De organisatie fungeerde als een soort vakbond voor gevangenen. Pas in 2001 erkennen de autoriteiten het gevaar van de PCC. Het aantal leden wordt inmiddels geschat op 100.000. En de gevangenissen blijven overbezet. Een tijdbom.
“Er kan ieder moment iets heel ernstigs gebeuren”, waarschuwt Nagashi Furukawa, oud- gevangenissecretaris van São Paulo. Hij denkt bij voorbeeld aan een massale uitbraak.
De PCC is behendig in het binnensmokkelen van mobiele telefoons en controleert daardoor ook op straat de misdaad. Drugshandel, ontvoeringen, bankovervallen; van de ooit nobele intenties is niets over.
Marcola, een voormalige bankovervaller die al vier keer uit de gevangenis ontsnapte, wordt in de eerste van tien rechtszaken beschuldigd van de moord op een rechter. Zijn rechterhand ‘Julinho Carambola’, werd hiervoor vrijdag tot 29 jaar cel veroordeeld.
Abonneren op:
Berichten (Atom)